{$lblSkipToContent|ucfirst}
Let op: Om de gebruikerservaring op deze site te verbeteren gebruiken we cookies.

Projectfasen

De bouw van een offshore windpark is het resultaat van een lang en complex proces, dat in een 3-tal fasen kan worden opgesplitst:

1. Ontwikkeling en contracting

2. Productie en installatie

3. Operations en onderhoud

 

 

otary projects

1. Ontwikkeling en contracting

Tijdens de ontwikkelingsfase worden er diverse studies uitgevoerd die leiden tot de juiste beslissingen:

  • Toekenning van de concessie: toewijzing concessieregio in functie van milieu-aspecten, opstellen van een voorontwerp tot businessplan, contractors identificeren, projectplanning, enz.
  • Haalbaarheidsstudie: windsimulaties, lay-out van het windpark, beoordeling van de risico's, business modelling, consulting, onderhandelingen met overheden.
  • Vergunningen: studies betreffende milieu-impact, indienen en verkrijgen van de nodige vergunningen met betrekking tot zeevaart, luchtvaart alsook federale en regionale autoriteiten.
  • Design: de funderingen en het offshore transformatorflatform zijn uniek, geofysische en geotechnische onderzoeken en het design worden gecertificeerd door een onafhankelijk en gecertificeerd orgaan.
  • Contracting: projectaanbestedingen, onderhandelen over en afsluiten van de contracten en blijvend focussen op interface management en risicobeperking.
  • Financiering: het verkrijgen van eigen vermogen en aandeelhouderssteun en financiering via extern kapitaal via commerciële banken en ‘multilaterale’ partnerorganisaties.

 

2. Productie- en installatiefase

De productie- en installatiefase kan worden opgedeeld in volgende loten:

  1. Voorbereiding van de zeebodem
  2. Fabricatie en installatie van funderingen
  3. Fabricatie en installatie van windturbines
  4. Bouw en installatie van offshore transformatorstation
  5. Fabricatie en leggen van ondergrondse infield-, export- en landkabels
 

Stap 1: Voorbereiding van de zeebodem

Vooraleer de reusachtige funderingen geplaatst kunnen worden, wordt de zeebodem geëffend en voorzien van een grindlaag om stabiliteit te garanderen.

 

Stap 2: Monopilefunderingen

Om de windturbines op zee te kunnen plaatsen, dienen we eerst funderingen te voorzien. Voor het Rentel-project werd gekozen om ‘monopile’-funderingen te gebruiken. Monopiles zijn lange cilindervormige stalen buizen die in de zeebodem worden geboord met een hydraulische hamer. Deze monopiles worden aan land gefabriceerd en vervolgens als één geheel naar de gewenste locatie vervoerd met behulp van gespecialiseerde installatieschepen. Eenmaal aangekomen, tilt een kraan de monopile in een speciale mal, plaatst deze op de zeebodem om dan met een hamer in de zeebodem te ‘hameren’.

Bovenop de monopilefunderingen wordt een ‘Transition Piece’ geplaatst. Dit is het gele stuk van de fundering dat boven water zichtbaar is. Op dit transition piece wordt de toren van de windturbine geïnstalleerd en vastgemaakt. De onderhoudstechnici die via gespecialiseerde schepen het onderhoud uitvoeren van de windturbines, kunnen via het transition piece toegang krijgen tot de turbine.

 

Stap 3: Windturbines

Het Rentel offshore windpark bestaat uit 42 Siemens D7-turbines. Deze windturbines hebben een nominale capaciteit van 7 MW die kan worden verhoogd tot 7,35 MW wanneer de weersomstandigheden dit toestaan. Elke wiek heeft een lengte van 75 meter (1,5 x de lengte van een olympisch zwembad!) en de totale rotordiameter is 154 m. De tiphoogte van de turbine staat 196 meter boven het laagste astronomische getij, waardoor ze de grootste offshore windturbines in België zijn. Het totaal gewicht van de rotor, de gondel en de toren bedraagt ongeveer 950 ton, het equivalent van 75 ‘dubbeldekker’-bussen.

De onderdelen van de windturbine worden vervaardigd op verschillende plaatsen en worden gemonteerd op de Siemens-site. Na montage, worden de verscheidene onderdelen van iedere turbine vervoerd naar Oostende, voor pre-assemblage.

 

 

 

In de ‘pre-assemblagehaven’ worden 3 grote onderdelen van de toren samen gemonteerd. Vanaf de REBO-site in de haven van Oostende zullen de wieken, masten en gondels van de windturbines geladen worden op het jack-up-installatievaartuig ‘Apollo’ dat wordt geleverd door GeoSea. De Apollo-kraan, met een capaciteit tot 800 ton, laadt de verschillende componenten op haar dek met een oppervlakte van ca. 2000 m2 (ongeveer 1/3 voetbalveld) zodat deze zeevast kunnen worden gemaakt voor transport op zee.

Eenmaal op de offshore locatie zal het ‘DP 2’-schip zichzelf nauwkeurig positioneren naast een monopilefundering die klaar staat voor installatie van een windturbine. Na enkele voorbereidende werken zal eerste de toren met gondel geïnstalleerd worden waarna de drie wieken één voor één gemonteerd worden. Bij goede weersomstandigheden kan een volledige windturbine geïnstalleerd worden in minder dan 24 uur!

Vervolgens, zodra de installatie van de windturbine is afgerond, zal de technische bemanning de windturbine aansluiten op het elektriciteitsnet.

Stap 4: Offshore transformatorstation

Het offshore transformatorplatform zorgt ervoor dat de windenergie verzameld en geëxporteerd kan worden via speciale onderzeese elektriciteitskabels. Dit platform is het hart van de elektriciteitscentrale op zee en vormt een essentieel onderdeel van elk offshore windpark. Het heeft als belangrijke functies het stabiliseren en maximaliseren van het elektriciteitsvoltage, de transformatie van de geproduceerde energie van 33kV naar 220kV hoogspanning en het overbrengen van de elektriciteit naar land.

Het geavanceerde platform van Rentel weegt ongeveer 1.100 Ton en bestaat uit een grote stalen constructie met 4 niveaus, uitgerust met allerlei ondersteunende systemen, specifiek ontworpen voor het windpark en de harde weerscondities in de Noordzee. De onderkant van de bovenzijde rust ongeveer 20 meter boven de zeespiegel. Om de extreme weersomstandigheden op zee aan te kunnen, staat dit station op een 1.850 Ton zware monopile, die tot 40 m diep in de zeebodem is gefixeerd.

Stap 5: Infield-, export- en landkabels

De elektriciteit die geproduceerd wordt door het Rentel offshore windmolenpark moet aan wal worden gebracht en aangesloten worden op het nationale elektriciteitsnet voor distributie op de Belgische markt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Om de windenergie die omgezet werd in elektriciteit te transporteren, zijn er drie soorten kabels nodig:

>Infieldkabel

Deze kabel verbindt de windturbines met het offshore platform waar de spanning getransformeerd wordt van 33 kV naar 220 kV.

 

>Exportkabel

Vanaf het substation wordt de stroom aan land gebracht door een exportkabel. De 40 km lange exportkabel verbindt het offshore substation met het nationaal elektriciteitsnet aan land, in het Stevin-station te Zeebrugge.

De exportkabel heeft een diameter van maar liefst een kleine 30 cm en weegt ongeveer 90 kg per lopende meter kabel. Deze kabel transporteert energie naar het nationale net en de Belgische elektriciteitsconsumenten. De exportkabel is ontworpen naar de specifieke omstandigheden van de site en houdt onder meer rekening met de thermische geleidbaarheid van de zeebodem. De kabel is begraven onder de zeebodem.


>Landkabel

De exportkabels worden vlak voor de kust verbonden met landkabels die ingegraven worden tussen de kustlijn en substation van Stevin. Het is via deze landkabels dat de stroom eindelijk het nationale elektriciteitsnetwerk bereikt.

 

3. Operations en onderhoud

De operationele fase van een windmolenpark duurt 20 tot 22 jaar. Gedurende deze fase gaan we verschillende zaken monitoren en optimaliseren:

  • Monitoren en onderhouden van turbines, funderingen en elektrische infrastructuur
  • Monitoren van de milieueffecten
  • Optimaliseren van de productie en capaciteit
  • Uiteraard moet het project met de grootste zorg en nauwkeurigheid worden onderhouden.
  • Alle onderhoudsinspanningen zijn preventief of correctief en hebben als doel de efficiëntie van het windmolenpark optimaal te houden.
  • Maar het belangrijkste is natuurlijk het produceren en leveren van groene en schone energie aan de Belgische markt!